Een
twee-onder-een-kap woning
wordt de ene kant bewoond
van door een Godvrezende weduwe,
die maar ternauwernood rond kan komen
van het weinige geld dat ze ontvangt.
De andere helft wordt bewoond door een klein gezin, waarvan de
vader zeer vijandig is
tegen alles wat met kerk of God te maken heeft.
Op zekere dag heeft de weduwe geen eten meer;
en ook geen geld om het te kopen. Wat nu?
In haar slaapkamer knielt ze neer
en - onder het openstaande raam vertelt ze
zoals ze gewoon is - hardop haar nood aan de Heere.
In de aangrenzende slaapkamer zit haar buurjongen
huiswerk te maken en 'toevallig' hoort hij zo door het
openstaande raam het bidden van zijn buurvrouw.
Vlug haalt hij zijn vader. Samen luisteren ze naar het gebed,
dat ze woordelijk kunnen verstaan.
Als de buurman hoort dat ze om brood bidt, denkt hij: wacht,
ik zal haar eens te pakken nemen
Vlug haalt hij een brood en gooit het met een flinke
zwaai door het openstaande raam bij zijn buurvrouw naar binnen.
Wanneer de weduwe met bidden ophoudt,
ziet ze het brood op bed liggen.
Ze is verwonderd dat haar gebed zo spoedig verhoord is
en opnieuw buigt ze haar knieën om de Heere te danken
voor de hulp die Hij haarschonk.
De buurman hoort het en wordt boos: wat?
heeft de God van zijn buurvrouw haar geholpen?
Hij zal haar eens gaan vertellen
wie dat brood heeft gegeven ... !
Even later staat hij bij zijn buurvrouw op de stoep
en zegt hij: "U denkt dat uw God u dat brood heeft
gegeven, maar dat is niet zo, hoor;
ik heb u dat brood gegeven! Bidden is onzin."
Gevat geeft de godvrezende vrouw
die hierdoor niet uit het veld geslagen is
hem ten antwoord:
"O, maar dat maakt het wonder alleen nog maar
groter,
dat de HEERE zelfs Zijn vijanden gebruikt
als Zijn knechten,
net zoals Elia brood kreeg van roofvogels!"